Mijn luier was mijn eerste schilderij

Foto: Wikipedia/Nationaal Archief/Marcel Antonisse - Wim Meijer Fotografie

Vandaag 100 jaar geleden, op 25 april 1921, werd Karel Appel geboren. Hoewel hij in de wieg gelegd was om bij zijn vader te gaan werken in de kapperszaak, verruilde hij op 21-jarige leeftijd de schaar voor het penseel en zocht zijn weg in de schilderkunst. Dat betekende voor hem dat hij ook meteen moest zoeken naar woonruimte, want vader kon zijn keuze slecht waarderen en zette Karel spontaan op straat.

(tekst: Wim Meijer)

Lage ‘abstract libre’
“Als baby at ik een doosje kleurkrijt op, en toen was de luier mijn eerste schilderij. Dat was dus ‘lage Abstract Libre’, zo noem je dat.” Het is een anekdote die Karel Appel vertelde gedurende een interview met Ischa Meijer, zo’n 30 jaar geleden, waarmee hij zijn aangeboren gedrevenheid illustreerde voor het schilderen.

Karel Appel groeide op in de Dapperstraat in Amsterdam-Oost. Bij zijn geboorte was zijn carrière al bepaald: Karel moest zijn vader opvolgen in de kapperszaak. Het liep echter anders doordat hij werd geïnfecteerd met het schildersvirus. Dat was te danken aan zijn oom, een broer van zijn moeder, die hem voor zijn veertiende verjaardag een schilderskist gaf. Samen met zijn oom, trok Karel de natuur in om landschappen te schilderen in de stijl van Monet. Dat beviel goed.

Ik was primair haarverfspecialist
Na enkele jaren  in de zaak van zijn vader te hebben gewerkt, waar hij volgens eigen zeggen vooral ‘haarverfspecialist’ was, koos Karel in 1940 definitief voor een bestaan als kunstenaar en meldde zich aan bij de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Omdat zijn ouders niet met deze keuze konden leven werd Karel onvriendelijk verzocht om de ouderlijke woning te verlaten. Karel later enigszins bitter hierover: ‘Toen ben ik op straat gaan leven. Want als schilder ben je gedoemd als een zwerver te leven in Nederland’

Op de Rijksacademie leerde Appel onder andere Constant en Corneille kennen, wat in 1948 zou leiden tot de oprichting van de Nederlandse Experimentele Groep en even later CoBrA. Vanaf 1942 ging Appel schilderkunst studeren aan de Rijksacademie in Amsterdam. Hier leerde hij veel over kunstgeschiedenis, een vak dat hij van huis uit niet had meegekregen. Hij bekwaamde zich daar vooral in de traditionele teken- en schilderkunst.

Appel in 1965 voor zijn schilderij “Deux Figures” (foto: Wikipedia – Nationaal Archief)

Naïef of opportunistisch?
Het feit dat Appel gedurende de oorlogsjaren aan de Rijksacademie studeerde op basis van een ‘Duitse beurs’ is hem later door veel Nederlanders kwalijk genomen. Appel zelf verklaarde hierover: “Als ik rijke ouders had gehad, had ik geen beurs voor de academie hoeven aanvragen” en benadrukte daarbij dat hij nooit met de Duitsers had meegewerkt, en slechts als doel had gehad goed te leren schilderen. Het klinkt naïef, is opportunistisch maar het is bovenal de realiteit van toen.

Na de oorlog, in 1946, had Appel zijn eerste solo-expositie in Het Beerenhuis in Groningen en later nam hij deel aan de expositie Jonge Schilders in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In die periode liet hij zich inspireren door werk van Picasso, Matisse en Jean Dubuffet.

CoBrA
De vriendschap met Corneille en Constant, die in de oorlogsjaren op de Rijksacademie was ontstaan, kreeg op 8 november 1948 een vervolg met de oprichting van CoBrA , een kunstenaarsgroep waarin schrijvers, dichters en beeldende kunstenaars zich verenigden om vanuit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam samen te werken. Cobra toonde een nieuwe mentaliteit, een nieuwe werkwijze en nieuwe voorstellingen. De CoBrA-groep keerde zich af van het traditionele schilderen en zocht naar een spontane, experimentele en uitbundige schilderswijze.

Werk van Karel Appel, conform het principe van de CoBrAgroep geïnspireerd door de naïviteit van kindertekeningen (foto’s: Wim Meijer Fotografie)

Daarbij vonden de CoBrA-kunstenaars het niet belangrijk beelden exact na te bootsen. Zij wilden de motieven uit hun fantasie laten ontspruiten en lieten zich inspireren door de kunst van natuurvolkeren en door de naïviteit van kindertekeningen. Mens- en diermotieven waren daarbij kenmerkend voor de Cobra beweging.

De belangrijkste leden van Cobra waren Karel Appel, Constant, Corneille, de Belgen Dotremont en Alechinsky en de Deen Asger Jorn.

Verguist in Het Stedelijk
In 1949 kreeg CoBrA een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De tentoonstelling werd echter een grote mislukking. De Nederlanders konden geen enkele waardering opbrengen voor een kunstschilder die, in hun ogen, dingen maakte die ieders zoontje óók kon maken als je hem verf en kwast in de handen drukte. Teleurgesteld over het onbegrip voor zijn kunst in Nederland, vestigde Appel zich in uiteindelijk in 1950 in Parijs, waar zijn atelierpand in de Rue Santeuil als zoete inval fungeerde voor jonge schilders en dichters zoals Remco Campert, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog en Hugo Claus.

Karel Appel, werkend in zijn atelier in Parijs

Doorbraak
Wat in Nederland niet lukte, lukte in Parijs wel, met dank aan Hugo Claus, die hem introduceerde bij Michel Tapié.  Tapié, was een achterneef van de beroemde Henri de Toulouse-Lautrec en zelf bekend kunstenaar en kunstcriticus. Na de tip van Hugo Claus organiseerde hij verschillende tentoonstellingen met het werk van Appel, waaronder een solo-expositie in het Paleis van de Schone Kunsten in Brussel in 1953.

Vervolgens was zijn werk ook te zien op de Biennale van Venetië in 1954, waar hij de Unesco-prijs won, en op de  Biennale van Sao Paulo. Het was het begin van een lange zegetocht van tientallen jaren langs biënnales (tweejaarlijkse internationale kunsttentoonstellingen) en musea in Basel, New York, Brussel, Parijs en, in 1968, uiteindelijk toch ook weer in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Daarna volgden nog exposities in de Kunsthalle in Bazel, in Brussel (1969) en in het Centraal Museum in Utrecht (1970) en een reizende expositie door Canada en de Verenigde Staten in 1972.

Vier ateliers
Rond 1990 had Appel vier ateliers, in New York, Connecticut, Monaco en in Toscane. Vooral het atelier in New York gebruikte hij om te experimenteren met zijn schilderwerk. De experimenten uit New York werkte hij uit in zijn andere ateliers. Door het andere licht in bijvoorbeeld Toscane, ontstond daar met dezelfde thema’s werk met een geheel eigen karakter.

‘Anrotzooien’ tot het eind
Tot aan zijn dood, op 85-jarige leeftijd, op 3 mei 2006 in Zurich, was Karel Appel vrijwel dagelijks in een van zijn ateliers te vinden om te doen waar hij het beste in was: Een beetje ‘anrotzooien’.

Zoals hij zelf verwoordde: “Ik rotzooi maar een beetje an. Ik leg het er flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d’r soms hele potten tegelijk op”

Dat ‘anrotzooien’ heeft hem overigens geen windeieren gelegd. In 1997 werd zijn vermogen geschat op 65 miljoen gulden. Zijn vader zou trots op hem geweest zijn!

(collage werk van karel Appel – foto’s Wim Meijer Fotografie)

Reacties